Na een debat over het rapport van de zelfdoding van een undercoveragent, werd vanuit de Kamer onderstaande motie ingediend over het inzetten van undercoveragenten bij cold cases.
De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat de inzet van undercoverbevoegdheden een belangrijke bijdrage kan leveren bij de aanpak van georganiseerde criminaliteit en het oplossen van cold cases; overwegende dat infiltratie de zwaarste undercovervariant is met veel risico's en gevaren voor undercoveragenten; overwegende dat de wetgever extra waarborgen heeft ingebouwd voordat de bevoegdheid tot infiltratie kan worden ingezet, waaronder toestemming van het College van
procureurs-generaal en een voorafgaand advies door de Centrale Toetsingscommissie; overwegende dat de criteria waar de CTC aan toetst en haar adviezen op baseert waren opgenomen in de OM-aanwijzing
Opsporingsbevoegdheden, maar dat deze criteria sinds 2014 niet meer zijn opgenomen in deze aanwijzing; overwegende dat het essentieel is dat de procedure voorafgaand aan en gedurende de infiltratie zorgvuldig wordt uitgevoerd en dat de proportionaliteit, subsidiariteit en afbreukrisico's nauwkeurig moeten worden getoetst; verzoekt de regering de wettelijke grondslag voor de inzet
van undercoverinfiltratie te verduidelijken in artikel 126h, zodat bij algemene maatregel van bestuur de toetsingscriteria van de CTC kunnen worden vastgelegd, en gaat over tot de orde van de dag.
Motie nr. 1059 (29628)